Column: Kampeerkampioenen

Lees hier de column van 19 mei 2026.

Afgelopen weekend trapten veel mensen traditioneel het kampeerseizoen af, en gingen met hun caravan, camper of tent op pad. Ik heb vaak aan ze gedacht, want het weer werkte niet bepaald mee. Ondergedompeld in regen, kou en wind… Ik twijfelde of ik het sneu of stoer vond, of misschien allebei. Hoe dan ook, wat mij betreft zijn het kampioenen. Kampeerkampioenen. Die mensen die vrijwillig in mei in een nat grasveld hun haringen staan te slaan terwijl de temperatuur ’s nachts onder de 5 graden is.

Ook ik ben gek op kamperen, en ik heb nog mooie herinneringen aan de start van die kampeerseizoenen. Eerst als kind, later met mijn eigen gezin. Als kind vond ik kamperen geweldig. Die spanning vooraf: we gaan weer naar de camping! De caravan werd schoongemaakt terwijl mijn broer en ik onze campingvriendjes en vriendinnetjes na een lange winter weer zagen. Nieuwe tubes waterverf, een gloednieuw schetsboek en minstens 3 boeken van de bieb zorgden voor het nodige vermaak als het dan regende (en dat was vaak in mijn herinnering). Heerlijk knutselen en lezen.

Ik zie onze caravan nog helemaal voor me nu ik er aan terugdenk. En voordat we een grotere caravan met een kachel hadden zette mijn moeder een omgekeerde bloempot op een gaspit om de caravan warm te krijgen. Dat was destijds blijkbaar een prima verwarmingssysteem.

Toen onze kinderen klein waren hadden mijn schoonouders een chalet waar we gebruik van mochten maken. Van alle luxe voorzien en heel erg leuk, maar ik herinner me toch ook die vakanties dat die kinderlaarsjes niet meer droog te krijgen waren, zelfs niet met een föhn. Ik moet bekennen dat ik toen wel eens dacht: waar zijn we nu eigenlijk mee bezig?

Later gingen we met onze kinderen in een tent kamperen. En ook toen waren er vakanties waarin we ’s avonds om half negen naar bed te gaan, simpelweg omdat het buiten niet meer uit te houden was. Met extra sokken aan in de slaapzak. Afzien. Toch gingen we iedere keer weer. Want tegelijk waren dat óók de vakanties van spelletjes aan tafel, opgewarmde miniknakworstjes of gehaktballetjes uit blik en frisse, net gedouchte kinderen in pyjama. Geen televisie. Geen volle agenda. Gewoon samen zijn. En op de camping lijkt het weer dan vaak toch best mee te vallen. Misschien is dat precies waarom kamperen zo bijzonder blijft.

Want er zit iets in kamperen wat je thuis niet hebt. De geur van een tent bijvoorbeeld. Of van een caravan die de hele winter heeft stilgestaan. Het geluid van vogels die je veel te vroeg wakker maken. Het kneuterige van een koelbox in plaats van een koelkast. Je hele hebben en houden in een paar tassen.

En misschien nog wel het belangrijkste: je knipt even de draadjes van het gewone leven door. Zelfs als je maar twee dagen weg bent, voelt het alsof je echt op vakantie bent. Dat gevoel is anders dan in een hotel. Daar is alles netjes geregeld. Bij kamperen moet je improviseren. En juist daarin zit misschien de charme. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik tegenwoordig wel wat kritischer ben geworden. Kamperen vind ik nog steeds heerlijk… maar regen én kou én ’s nachts naar een toiletgebouw? Nee, daar trek ik inmiddels toch een grens. Blijkbaar ben ik toch wat verwend geraakt.

Dus, wat mij betreft ben je niet alleen kampioen als je wint. Soms zit het kampioenschap juist in het gewoon gáán. In doen! Dus bij deze: een diepe buiging voor de kampeerkampioenen van afgelopen weekend. Regen, kou en natte sokken trotseren en tóch gezellig onder die luifel blijven zitten. Ik heb er bewondering voor.

Tanja Haseloop – Amsing
burgemeester